
- Oostkanaalweg
1
Geliefd? Nee, dat kon je Jack niet noemen. Hij was verre van geliefd op het districtsbureau van politie in Alphen aan den Rijn. De jonge agent werd door zijn collega’s steevast aangeduid als “Jack Klôtepôte”. Jack had een probleem: elke zaak waarmee hij zich bemoeide liep verkeerd af. Elke keer opnieuw moest de districtschef voor de pers uitleggen waarom het mis was gegaan. De naam van jack noemde hij nooit maar de mannen en vrouwen op het bureau wisten maar al te goed waar het aan lag: Jacks onhandigheid. Op ene goede dag had brigadier Ada de Hond, met de omvang van een vijzelmolen, hem in de kantine toegeroepen dat hij overal met zijn “klôtepôte” vanaf moest blijven. Vaaf die dag heette hij “Jack Klôtepôte”. De Hond had met haar uitspraak haar eigen positie in de machocultuur op het bureau verstevigd en die van Jack behoorlijk ondergraven. Als het even kon spraken de twee dan ook niet met elkaar.
Jack heet eigenlijk “Streng” van zijn achternaam. In 1931 verhuisde zijn opa, Ep, van Boskoop naar Alphen aan den Rijn. Middenin crisistijd dus. Eigenlijk was hij van plan geweest om naar de VS te verhuizen voor nieuwe kansen maar hij bleef met een nieuwe boomkwekerij aan de Oostkanaalweg hangen. De zaak liep van begin af aan als een tiet en dus had Ep Streng geen belangstelling voor “Die Amerikèn Driem”. Hij noemde zijn kwekerij heel simpelweg “De Kwekeboom”en klaar was hij. Ja, in familiekringen werd die verhuizing nog steeds aangeduid als “de emigraassie” maar daarbij trok Jack toch altijd een wat ongelukkig gezicht, Hij was realist genoeg om te beseffen dat het een groot woord was voor een verhuizing op twee handkarren en een bakfiets van Boskoop naar Alphen aan den Rijn.
Ep’s zoon, Herman, nam in 1979 de leiding van het bedrijf over en vanaf 1988 kreeg Jack de verantwoordelijkheid over trekkers en wagens. “De boume sajn fa majn”, zei Herman altijd, “de waoges sajn fa sajn.” Herman was een man van weinig woorden maar als hij een verhaal ging vertellen, begon hij steevast met de woorden: “Ja, dat waos lache…”. Na afloop van het verhaal begreep haast niemand waarom er gelachen moest worden maar het gebeurde toch, vanzelf haast. De mesten in huis waren al lang blij dat er een keer gelachen moest worden.
Moeder Streng-Boot, Fiep, bewoog zich haar hele leven lang heen en weer tussen wasdroger, kasboek en aanrecht. Bovendien had ze jarenlang gezwoegd voor haar vier kinderen: Jack, Emmie, Bep en Pikkie. Emmie was getrouwd met Bert de Klein, Bep was receptioniste bij Hotel Toor en Pikkie, twintig jaar jonger dan Jack, zat in “De Bruggen” in Zwammerdam want daar was iets “scheef” mee zoals Herman dat altijd zei. Dat klonk raar maar hij had er veel verdriet van. Jack was dus de oudste en hij was voorbestemd om het bedrijf over te nemen. Dat was het tweede verdriet van herman want Jack voelde niets voor de bomenkwekerij. Hij was dus bij de “pliessie” gegaan en doorliep daar een wat geremde carrière. Herman had inmiddels Emmie en Bert aangewezen als zijn opvolgers wat weer geruzie over de erfenis opleverde maar goed…
En danw as er nog tante Eefie. Zij kwam uit Nieuwveen en was getrouwd met Hermans jongere broer. Zij hadden een florerende haringkar bij de Alphense Brug. Zo florerend dat Efie het zich kon permitteren een jonge meid in dienst te nemen voor de kar en zelf dagelijks door het stadshart te flaneren met haar witte en zwarte poedel om uiteindelijk koffie te gaan halen bij De Hal in het stadhuis. ”Daar is hij het goedkoopste”, zei ze altijd en Efie hield niet van verspilling.
Efie had een uitgeproken hekel aan “hoofddoekjes” en meende dat Nederland langzamerhand wel erg veel ging lijken op landen in het Midden-Oosten. Van haar kwam de uitspraak dat vrouwen hun hoofddoekjes moesten lostrekken om er stofdoeken van te maken. Ze was dan ook van plan haar eigen lokale politieke partij op te richten en had als naam gekozen “Ollefe se aige”. Omdat ze niet zeker wist of dat goed geschreven was, vroeg ze een bekende die “schraife kon” om er eens naar te kijken. Hij veranderde de naam in “Alphan aan den Bak”. “Aan den Bak”, snapte iedereen dat wel? “Aan de beurt”, legde hij steeds weer uit. Tot zover de belangrijkste familieleden.
Jack had één groot talent. Hij voelde vaak aan of mensen kwaad in het zin hadden en daarom had de districtschef hem een speciale taak gegeven. Het liep tegen de raadsverkiezingen en een aantal wethouders en raadsleden werd bedreigd. Jack had de opdracht op het “Rainplain” en bij het stadhuis, de “glasbak” noemde Jack vader dat altijd, te surveilleren en de zaken in de gaten te houden. Het was een vrij rustig bestaan voor Jack. Hij posteerde zich zo nu en dan op een straathoek en keek goed om zich heen. Van tijd tot tijd trok hij nog een brommerrijder van zijn vervoermiddel af voor te hard rijden, wees mensen de weg en hielp oude vrouwtjes met oversteken. Jack vond dat prettig. Dat was wat hij zich had voorgesteld bij het bestaan als politieman.
Er waren ook minder prettige momenten. Dan fietste een stel scholieren van Scope of Scala voorbij onder de kreet: “Hé. Klôtepôte”! Dat kwam doordat columniste “Venus” n het dagblad “Alphen DDD”(Dagelijks DoorDouwen) in haar column bekend had gemaakt wat die bijnaam was. De districtschef had de hoofdredacteur, Natahalie, nog opgebeld om excuses maar deze had dat categorisch afgewezen “omdat journalistiek onafhankelijk was.” Ze had er al vaker een halszaak van gemaakt, ook toen ze nog zelf aan verslaggeving deed. Vermoedelijk omdat ze zichzelf met veel moeite had opgewerkt van caissière bij de Kwantum tot redacteur bij een dagblad. En dus zat Jack voorgoed aan die rottige bijnaam vast. Met dank aan de media.
Ondertussen vergenoegde Jack zich met zijn taak in het stadshart al wist hij nog niet dat die zou leiden tot zijn grootste triomfen. Voorlopig zag het er daarnaar ook niet uit.
Http://badplaastalphen.wordpress.com
——————————————
2

Jack posteerde zich na een stevige surveillance door het stadshart eens even goed en haast onbewegelijk voor de hoofdingang van de “glasbak”. Voeten iets uit elkaar, handen op de rug en een strenge blik recht naar voren. Hij deed zijn best om zijn kaken krachtig uit te laten komen. Dat deed hij ook altijd als hij in gesprek was met een vrouw omdat hij o, zo graag zijn daadkracht en onverzettelijkheid tot uitdrukking wilde brengen.
Niet dat hij daar echt aan leed want Jack was een vat vol onzekerheid maar juist daarom wilde hij graag stoerheid uitstralen. Die onzekerheid was niet zo maar uit de lucht komen vallen. Jack was van kleinsafaan een jongen geweest met “gefoel”. Waar zijn vader altijd redeneerde via de centen, daar begon Jack altijd met voelen. Heel leuk was dat niet want bij Jack thuis viel niet veel te voelen. Als klein jochie kreeg hij om die reden al een hekel aan zijn vader.
Neem nou de kerstbomenmarkt, in die tijd werd die nog netjes half december georganiseerd en niet twee maanden eerder. Jack moest, net bekomen van de Sinterklaaspret, mee met zijn vader naar een noodwinkelcentrum aan de rand van de stad. Het was er ijskoud en tochtig maar als Jack er iets over zei, meende zijn vader dat hij niet “seure most” en dat-ie blij mocht zijn dat er die dag nog drie koppen chocolademelk te gaan waren. En eigenlijk vond Jack dat nog niet ééns het ergste.
Waar hij zich vooraal aan stoorde, dat was de manier waarop zijn vader de “boume” verkocht. Wie een kerstboom kwam halen, kreeg ook nog een pakket “groen” opgedrongen en een leuke speeldoos met kertsliedjes, allemaal in één aanbieding. De klant ging dan stralend van geluk weg ervan overtuigd dat hij veel koopjes had binnengehaald. Dat terwijl hij oorspronkelijk helemaal niet van plan was geweest zoveel geld uit te geven. Dat vond Jack erg. Zijn vader niet. Die zei altijd “Je ken aan de boume al sien wat ze worden. Ze zijn rond en rollen net zo als geld”. Als iemand hem erop opmerkzaam maakte dat van bomen alleen papiergeld te maken was, omzeilde hij dat probleem. “Okaaj, maor je ken er wel rolletjes van make.”
Jack kreeg langzaamaan het gevoel dat geld vies was, iets waarmee je zo min mogelijk te maken moest hebben. Toen hij tegen zijn vader zei dat hij de zaak niet zou overnemen, barstte die in woede uit. “Echt weir soon streek fan Sjek”, schreeuwde hij zo hard dat de heel Oostkanaalweg ervan kon genieten. “Haj krajg wasse fader hep opgebaut en haj mot het niet. Seker niet goed foor se gefoel.” In zijn woede was hij begonnen met bomen te gooien en het had niet veel gescheeld of hij had de deur van de garage voor de trekkers eruit gerukt. “Wait je wat jaj ben?” riep hij zijn oudste zoon na. “Je ben een loeser.” Daarbij had hij Jack een conifeer naar het hoofd gegooid die de jongen nog net kon ontwijken. Met een vorkheftruck was zijn vader vervolgens achter hem aangereden totdat Jack buiten het erf op straat stond. “En daor blèèf je”, riep zijn vader woedend. “Je komp d’r niet meir in!”
Jack was sidnsdien nooit meer teruggekomen. Hij had zich aangemeld bij de politie en had een huisje gehuurd aan de Sparstraat, het “gewone ” deel van de bomenbuurt. Het was klein maar fijn en met behulp van de Kringloop had hij zijn huisje al gauw ingericht. Hij was er zeker van dat hij heel goed een leven kon leiden zonder Kwekeboom.
Daarom stak het hem zo dat hij nu overal bekend stond als “Klôtepôte”, dat zouz eker bij zijn vader terechtkomen en die zou wel weer beginnen met “Ja, dat was lache…”. Het schoot allemaal door hem heen terwijl hij zo over het Stadhuisplein uitkeek en het gevoel kreeg dat alle passanten vooral hem zagen staan. Ineens voelde hij zich heel belangrijk. Hij keek nog eens over zijn schouder naar binnen en vroeg zich af of hij niet zó kon gaan staan dat mensen een beetje last van hem zouden hebben maar…zijn “” gefoel” praatte hem dat weer uit het hoofd.
Zijn hart kromp ineen toen hij in de verte tante Eefie aan zag komen. Het mens had kortgeleden haar haar laten blonderen omdat ze dacht dat het wel modieus was. Bovendien had ze het opegstoken zodat het leek op een monstrueuze suikerspin. Het geheel had ze overgoten met een geurtje dat op honderd meter waarneembaar was en qua geur het midden hield tussen WC-eend en een uitgebloeide hortensia. Ze had bij de drogist om iets gevraagd dat netzo vaak van geur verandert als Airwick in de huiskamer maar daarvoor had zelfs Chanel 5 geen oplossing geweten.
Maar goed, Eefie kwam er dus aan en Jack besloot maar eens even heel stevig de andere kant op te kijken. Alsof Eefie het kontje van haar eigen neef niet zou herkennen! In de ruiten van de “glasbak” volgde Jack zijn tante helemaal. Ze had ook “Epie” en “Hepie”, haar twee poedels weer bij zich en die sleurde ze achter zich aan. Eefie liep nu niet op de hoofdingang van het gebouw af maar volgde de welving aan de zijkant van het gebouw en toen ze Jack had gepasseerd, draaide hij zich met een zucht van verlichting weer om. Die was weg!
Maar ja, het leven van “Klôtepôte” ging niet over rozen. Hij had zich nog geen drie tellen omgedraaid of hij voelde en zijig handje op zijn schouder. “Jack”, klonk de krassende stem van tante. “Ik heb wat voor je te doen.” Jack keerde zich nu naar zijn tante om en trok zijn allercharmantste glimlach, wat hem, voor een looser, goed af ging. “Tante,wat leuk dat u op bezoek komt.” Eefie trok een geërgerd gezicht. “Je blijft een mafkees. Ik kom helemaal niet op bezoek maar die dames van de plastic tomaat in de hal vertellen me net dat Epie en hepie niet mee naar binnen magge.” Eefie sprak vrij aardig Nederlands maar van tijd tijd vergiste ze zich. “Ik mot binnen sijn om te praten over de kieslijst en nog wat dingetjes voor Alphen aan den Bak”.” Het was aan haar gezicht te zien dat ze nog erg moest wennen aan de naam van haar eigen partij maar ja, het was nou eenmaal bedacht door iemand die kon schraife.
“En dus?”vroeg Jack verbaasd. “En dus ga jij even op die schatjes letten. Jij staan hier toch voor de openbare orde?” Voordat Jack het wist, had zijn tante hem de lijnen van Epie en Hepie in handen geduwd, gaf ze hem een kus op zijn linkerwang en beloofde ze hem zo gauw mogelijk terug te zijn.
Verbouwereerd keek jack zijn tante na terwijl ze de “glasbak” binnenstapte en daar stond hij, met twee geparfumeerde en gekapte poedeltjes in wit en zwart en hij hoopte maar dat géén van de passanten naar hem zou kijken. Nee, het moment van de triomf was nog niet aangebroken.
www.badplaatsalphen@wordpress.com
3

Eefie en Jack waren nooit elkaars beste vrienden geweest. Misschien kweam hetw el doordat ze allebei zoveel “gefoel” hadden. Maar ja, mannen met “gefoel”, dat was nou niet meteen waar Eefie tegen opkeek. Mannen moesten slim zijn en harde werkers. Mannen met “gefoel”, nah, dat was eigenlijk een mislukking. Dichters en zangers en zo…niks voor Eefie. Zij gaf zelf haar “gefoel” dan ook liever aan Pikkie, het joch dat op de “Bruggen” rondhuppelde zonder te beseffen wie Eefie eigenlijk was. Zeker, hij vond haar wel lief en hij smeerde onbeschaamd zijn mond met kijtl en snotneus aan haar kleren af maar dat Eefie een tante van hem was, nee dat snapte hij niet zo goed. Eefie nam het allemaal voor lief. Ze behandelde Pikkie een beetje als haar “aigenste” en dat was maar goed ook. De rest van de familie bekommerde zich niet om hem, uit schaamte, verdriet en onvermogen. Je kon je dan ook afvragen wie er nou eigenlijk een beperking had.
Jack zat er maar mee. Daar stond hij met die twee hondjes en hij voelde langzaam aan een druk in zichzelf opkomen die niet lang te beheersen zou zijn. Weliswaar had hij erin geoefend toen hij met zijn vriendjes op school nog “warmtefrontje” speelde. En dan maar kijken wie er het eerst ene onweersbui kon veroorzaken maar als agent kon hij daar moeilijk aan beginnen. En dan, die hondjes… Onrustig keek hij om zich heen. het duurde trouwens wel erg lang voordat zijn tante weer terugkwam. Ze zou hem hier toch niet gewoon urenlang met die twee belachelijke beesten laten staan. Straks was zijn dien st voorbij en dan moest hij zeker met die twee naar het bureau terug? En dan Ada de Hond tegenkomen? Ze zouden zich alweer blauw lachen…
Jack rilde. Hij had geen zin in een openlijke afgang op het bureau en de drukw erd nu echt omhoudbaar. Opeens zette hij het op een rennen, de twee kleine blafbonbons achter zich aansleurend. Hij kon nog net de beesten naarbinnen rukken voordat de draaideur hem scheidde van de monstertjes. Met toenemende buikpijn meldde hij zich aan de kunststof tomaat waarin twee blondines aan het werk waren. “W illen jullie even op deze twee kleine vriendjes letten? Ze zijn van mijn tante. Ik heb een noodoproep in het stadhuis”, vroeg hij onzeker. De blondine met wie hij sjans hoopte te hebben keek hem verbijsterd aan. “Maar die beesten mogen…” “Ik moet ze toch ergens laten tr…”. Hij sprak het woord niet uit omdat hij begreep dat het zijn sjans zou verminderen. Hij smeet de lijnen over de balie en rende door de hal. De “tr…” nam wraak en schreeuwde hem na:”Spetter je niet teveel?”
Jack rende de brede trap naar de raadszaal op, ging links af richting toiletten terwijl hij ondertussen goed keek of Eefie zich ergens vertoonde. Niks, nergens, Jack begreep er niets van maar hij moest nu toch echt eerst even “onder de afzuigkap”. Daar zou hij ook alle tijd hebben om even na te denken. Waar zou Eefie nou toch zitten?
Hij was niets te vroeg in het toilet en zijn eigen geluiden voorkwamen dat hij de opwinding buiten, op de gangen hoorde. Niets vermoedend stapte hij dan ook vrolijk en opgelucht naar buiten. Daar waren inmiddels nog al weat ambtenaren samengekomen op de gang. Zij hadden gehoord hoe een politieman in vol ornaat de trappen was opgerend met de boodschap dat hij een noodoproep had ontvangen. Aanvankelijk waren ze komen kijken waar het wilde geblaf en gekef in het stadhuis vandaan kwam. Toen kwamen de verhalen over de rondrennende politieman los.
Verbijsterd keek Jack de massa aan. “Wat is er aan de hand?” vroeg hij. Heel langzaam bekroop hem het gevoel dat hij een blunder had begaan. Alweer. In de menigte kon hij zijn tante nergens ontdekken. “Iemand mijn tante gezien”, vroeg hij langzaam. De menigte week acheruit alsof ze de dreiging van een doorgedraaide politieman voelde. Aan het einde van de de rij stonden twee blondines met twee blafbobons. Tante was in geen velen of wegen te bekennen. Dat werd voor Jack dus toch afsluiten met twee poedels, op naar Ada de Hond! Nee, de triomf diende zich nog steeds niet aan hoewel Jack zich wel zorgen maakte om zijn tante.
—————-
4
Andersom was dat niet het geval. integendeel. Tante Eefie was in het stadhuis Martijn van de Kasteele tegen het lijf gelopen en die man, ja daar was ze echt helemaal kapot van. Die moest en die zóu ze hebben. Ze voelde een onweerstaanbare neuklust in zichzelf opkomen als ze Martijn tegenkwam. Dat was wederzijds want, afgezien van haar opgestoken haar, was Eefie bepaald goed om ana te zien en haar figuur zou met gemak in elke duplopuzzel gepst hebben. Geen Ida de Hond dus! Bovendien kon Martijn de geilheid van het gezicht van Eefie aflezen en van tijd tot tijd had hij best zin in een snelle hap.
Dat paste ook bij zijn vak als journalist. Vaak kwam hij niet aan uitgewerkte maaltijden toe. Martijn was eindredacteur van Alphen DDD maar echt geld had hij met iets heel anders verdiend. Een paar maanden geleden had hij een roddelwebsite geopend, allereerst voor Alphen aan den Rijn, onder de titel www.manbfthond.com . Daar konden alle Alpehnaren anoniem of niet roddels plaatsen die zij hadden opgestoken. De eerste maand waren er 10.000 hits, de tweede maand was dat al opgelopen naar 25000 en nu na drie maanden zat hij op 100.000 hits in één maand. De toeloop was zo groot dat een flink aantal ondernemers was begonnen met adverteren en dat leverde Martijn flink geld op.
Met hem zocht tante Eefie zich voorzichtig een weg door gangen en trappen van de glasbak, totdat ze beneden in de parkeergarage kwamen Daar stapten ze zonder aarzelen in de SUV van Martijn en verlieten ze het pand zonderdat neeflief zijn tante nog had gezien. Het gebeurde niet veel later dan een paar seconden voordat Jack het stadhuis binnenstormde met de twee hondjes.
Eefie was neef en hondjes al gauw vergeten en haar neuklust nam toe naar mate het appartement in het Da Vincicomplex naderde. Martijn had al wat openingen gemaakt zodat hij zich tijdens de rit kon laten masseren. Dat leverde hem trouwens bijna een aanrijding met een spoorboom op. Eefies opgestoken haar zakte er van af.
Eenmaal binnen was de spanning op een hoogtepunt gekomen en met een paar zwoele en ballerina-achtige bewegingen opende Eefie haar bloesje. Martijns gezicht kreeg een hebberige uitdrukking. Hij liet zich achterover op bed vallen en rukte zijn kleren los en ineens was de betovering bij Eefie weg. Ze zag dat dat die Martijn zich overal egschoren had en er ging een schok door haarheen. Zou hij zijn anus ook hebben gebleekt? Nee, toch? Dat deed haar aan die politicus met dat blotebillengezicht denken. Ze aarzelde en dat…had ze beter niet kunnen doen.
Martijn besprong haar onder de kreet “Ik wil Epie, Hepie en de rest van de familie neem ik op de koop toe.” Met een smak raakte zijn onderkaak het laminaat en hij mocht nog blij zijn dat er geen plavuizen op de slaapkamer waren gelegd zoals zijn eerste vrouw ooit had gewild. Eefie zat met een totaal van schrik bleek geworden gezicht wat daas om zich heen te kijken en vroeg zich af of ze de halfbewusteloze Martijn zou moeten helpen. Toen ze zag hoe er bloed uit zijn m,ond kwam, vergat ze meteen haar afschuw over het geschoren lijf en besloot ze zorg te verlenen. Maar…Martijn was niet zo maar tot rust te brengen. Hij was niet vergeten waarvoor ze naar zijn huis waren gegaan.
Hij waagde er een tweede sprong aan en deze keer scheurde hij Eefie de rest van haar kleren van haar lijf. Eefie vergat haar afschuw en dacht opnieuw aan die gepassioneerde en vooral rijke reus die haar aan het het besopringen was en besloot dat alles zijn prijs had. Ze likte het bloed van zijn lippen en zoog zijn tong naar binnen.
Mar ineens was de betovering verbroken. Epie en Hepie had Martijn gezegd. Ja, waar waren haar hondjes toch ook weer gbleven? Het kostte Eefie veel moeite om zich te herinneren waar haar huisgenootjes waren. Bij die stomme neef natuurlijk! Ze voelde nauwelijks nog niets van het onophoudelijke gebonk van Martijn, ze wist niet eens of hij wel hulpstukken gebruikte. Dat zou dus wel weer op een pilletje uitlopen. Het was onwerkelijk. In haar kwam een sterke behoefte naarboven om haar hondjes op te zoeken. Die waren nu in handen van het stomme neefje. Wie weet wat hij er allemaal mee uithaalde.
Het gebonk werd kalmer en even later hield het echt helemaal op. Met een gevoel van bevrijding maakte Eefie zich los van haar eerst zo aanbeden minnaar. Ze zou niet een smeer kunnen navertellen of de seks leuk was geweest of niet. Ze wist het egwoon niet meer. Zwijgend kleedde ze zich aan. “Een bubbeltje?” vroeg Martijn zachtjes terwijl zijn hand door haar haar streelde.
“Nee, het waren bubbeltjes genoeg”, glimlachte ze haast plichtmatig. Eefie hoorde het zichzelf zeggen. “ik moet nu echt gaan. Een volgende keer beter hè? Terwijl hij haar naar huis bracht bedacht ze zich dat een volgende keer wel belangrijk was. Ze móest Martijn op haar hand zien te krijgen, voor de verkiezingen
—
5

Jack zet z’n hoofd net zo schuin als Hepie en Epie en hij kijkt ze netzo diep in de ogen. Eén van de twee , Jack weet niet wie, begint te grommen en blaft. “Houd je kop”, zegt Jack nors. Je zou die beesten toch gewoon een kerstklokje ombinden en aanbieden aan een tuincentrum? Jack schat dat ze al gauw voor zo’n 200 eur ‘t stuk over de toonbank gaan. Een beetje troosteloos vraagt hij zich af wat hij met die “beesten” moet. Elke dag ik weet niet hoe vaak wandelen. Bah!
Aan de andere kant vindt hij dat tante Eefie de beestjes bij hem moet komen ophalen. Hij hoeft ze toch niet bij miss suikerspin af te leveren. Zijn tante was toch zelf zo dom om ze bij hem achter te laten? Gelukkig blijken de diertjes graag speklap te lusten. “Ze mogen ook wel wat vet hebben”, mompelt Jack in zichzelf. Die scharminkele achterpootjes en die blote buikjes doen hem vooral aan kippenboutjes denken.
Jack krabt zich eens achter het oor. Hij verdomd het die hondjes vandaag naar z’n tante te brengen. Ze komt ze maar halen. Maar…vandaag is zijn vader jarig. Nu is hij er al jaren niet geweeest maar misschien…misschien weet de familie waar Eefie uithangt en bvendien…Jack ziet meer lichtpuntjes. Hij grijnst tevreden en zoekt zijn netste vrijetijdskleren bij elkaar.
Het is al bij de oprit dringen. Op vaders verjaardag staan de SUVs altijd al bijna op straat stil. Jack;s vader heeft veel vrienden al heeft Jack geen flauw idee waarom. Goed, hij kan goed drank uitdelen aan SUV-rijders maar verder. Tja misschien werkt het allemaal wel zo. In elk geval is Jack blij dat hij gewoon te voet is.
Zijn vader staat bij de deur van van de trekkergarage. Daar staat hij altijd als jhij jarig is want pa’s verjaardag wordt daar gevierd. “Dan heb je niet al die rommel van die gasten in de ziteuken”, zegt zijn moeder altijd. Zijn moeder noemt elke kamer “keuken” dat “het” ze zo van thuis “meekreegt”. Ze heeft het zelfs vaak over de “mestkeuken” maar dat begrijpt lang niet iedereen.
Zij vader verblikt of verbloost niet als jack hem een hand geeft. “Dag pap, gefeliciteerd met je tachtigste verjaardag.”Jack weet best dat zijn vader nog maar zestig is geworden maar een gewone felicitatie krijgt hij zijn mond niet uit en zijn vader is te verbouwereerd. Hij had helemaal niet op Jack gerekend. Wat komt dat joch doen?
Er zijn alleen maar mensen die hij niet kent. Nou ja, behalve zijn moeder natuurlijk. “Jongen wat ben ik blij dat je er bent. je vader het zich er zo op verheugd.”"O ja?” laat Jack spontaan uit zijn mond rollen. “Nou, daar heb ik nog niet veel van gemerkt. Hij stond me alleen maar een beetje aan te kijken of ik net een enorme boer had gelaten.” Jack’s moeder doet haar mond open maar zij krijgt niet de kans iets te zeggen.
Jack hoorde haar alleen nog zeggen: “Dat doet ze nu altijd!” en ja hoor. Daar kwam tante Eefie de garage binnenwandelen. Bij de ingang slurpte zij bijna de wangen van Jacks vader maarbinnen en even daarop galmde haar stem door de garage: “Alphen aan de Bak”. Ze lachte alsof ze zonet had gehoord dat ze de koninging mocht opvolgen maar hoorde niet de woorden die een jongeman vlak achter Jack zei: Eefie in de kak”. Jack draaide zich om en keek recht in de ogen van een jong ventje waarvan hij dezelfde middag nog ontdekte dat het neefje “Joeri” was.
“Alphen aan den Bak”, klonk het opnieuw door de garage zodat tante Eefie opnieuw het middelpunt van de belangstelling was. Hoog boven haar hoofd hield ze een bos hoofddoekjes. “Dit zijn de hoofddoekjes die we afgelopen week hebben ingezameld bij moslima’s die met ons hebben afgesproken dat ze zo’n ding niet meer willen dragen. Het zijn er dertig”, zei ze trot. “Maar vijf ervan hebben moeten vluchten naar een blijf-van-mijn-lijfhuis. Hun mannen begonnen te slaan. Stel achterlijke apen. Wij strijden voor vrowuen zonder hoofddoek! Haar stem konk nu krijsend en er was niemand die nog verstaanbaar met elkaar kon praten. Eefie was nu echt het middelpunt. Haar gezicht was helemaal rood geworden.
Ze wees recht naar Jack. “Waar heb jij getverallebakkennogaantoe mijn Epie en Hepie gelaten?”Er konk een holle lach vlak achter haar maar ze had niet door dat die afkomstig was van Martijn van de Kasteele . “Gelaten, gelaten?” vroeg Jack nu kwaad. “Jij hebt ze bij mij gelaten en ik heb ze opgevangen omdat jij je gedraagt als een …”
“Als een sloerie”, klonk nu deze lfde stem en deze keer keek Eefie om. “W as jij dat, Martijn?” De journalist trok zijn wenkbrauwn op en trok zijn onschuldigste gezicht waardoor hij lelijker uitzag dan anders. ÏK, ik, euh, je weet hoe erg ik je lief heb”, zei hij met een valse glimlach. Eefie ontb lotte haar onder- en bovengebit tegelijk. “Je bent een gore baviaan”, siste ze. Daarna draaide zich weer om naar haar neef. “Waar zijn mijn schatjes”, blèèrde ze. Jack werd gered door zijn mobieltje. Goed hoorbaar door de hele zaal klonk de melodie van “I can get no Satisfaction” en meteen nam Jack op.
“Je moet hier komen”, klonk de dwingende stem van Ida de Hond. “We hebben een lijk in het stadhuis.”
6

Epie en Hepie
Een “laik”, Jack herhaalde het een aantal keren in stilte maar al gauw zong hij het uit: “Een laik, een laik, ‘t is beter dan een…” Hij wist nu zeker dat hij ooit een keer het schlagerfestival zou winnen, vooral omdat zijn stem ruimschoots boven de herrie van het verkeer uitkwam. Nauwelijks merkte hij op hoe verwonderd de voorbijgangers de zingende agent bekeken, vooral als ze zijn tekst begrepen. Jack had geen tijd om daarop te letten want hij begon zich steeds meer af te vragen waarom dat “verdomde waif” van De Hond hem nodig had bij een onderzoek. Eigenlijk kon hij het zich niet goed voorstellen maasr zin had hij er wel in. Rechercheren had hem altijd al mooi werk geleken. Van een omgedraaide nek of een opengesneden hasses zou hij niet over zijn nek gaan, dat wist hij zeker.
De burgemeester had van schrik bijna zijn ambtsketen omgedaan toen hij hoorde wat er in de B&W-kamer was gebeurd. Nog net op tijd had hij zijn hand uit de la teruggetrokken en daarbij had hij één van de knopen van zijn mouw losgetrokken. Een ingehouden verwensing was het gevolg, vooral toen hij het bloed van zijn pink zag druipen. Hij hield het bij ingehouden verwensingen sinds hij met alle mogelijke religieuze gemeenschappen maandelijks aan tafel zat. Hij wilde zich het verwensen afleren om niet een keer uit de bocht te gaan op het verkeerde moment.
In de B&W kamer aangekomen verbleekte hij. Op de lange, tafel in het midden lag het lijk van een jongeman met een opengeritste hals. Het bloed was opgedroogd maar nog knalrood. De burgemeester keerde zich even af maar herstelde zich snel. “Maar dat is …” “Eén van de bodes”, de gemeentesecretaris knikte. “Het is afgrijselijk en ik snap niet hoe het heeft kunnen gebeuren. Volgens dokter Burema, naast mij, is de man nog maar twee uur dood. Iemand moet iets gehoord of gezien hebben.” De burgemeester fronste zijn wenkbrauwen voordat hij de poliieman aan de andere kant van de tafel een hand gaf. “Inspecteur Bottinga”, zei deze kortaf. Hij keek wat zuinig naar de hand van de burgemeester die over de tafel en het lijk naar hem toegestoken werd. “Ik mag u verzoeken niet in de directe omgeving van de overledenen te komen”", zei hij met een doodgraversstem.
“Vuil, smerig takkenwijf!” Die uitroep deed de aanwezigen in de B&W-kamer weer een beetje ontwaken uit hun verbijsterde gestaar. Op de gang klonken hollende voetstappen een een man wrong zich door de deuropening van de kamer naarbinnen. Op de achtergrond was nog net de feekserige stem van een vrouw te horen die krijse: “Daar zul je méér van horen, Klotepote!” Jack hoorde er niets van. Hij voelde hoe hij wit wegtrok bij het aanschouwen van het bebloede lijk. Dat viel hem lelijk tegen en even hield hij zich stevig aan de deurpost vast. Het was allemaal niet zo leuk als hij tijdens het zingen had gedacht.
“En wie bent u?” vroeg de burgemeester met een afwachtende glimlach. De politieman keek de beheerder van orde en veiligheid nog enigszins verdwaasd aan. Toen stak hij zijn hand uit. “Jack Streng”, zei hij tegen de burgemeester. “Ik ben ter assistentie opgeroepen.”Die laatste woorden kwamen er zó duidelijk uit dat iedereen het kon horen. Ze waren gelogen maar dat deed er nu even niet toe. Het leek Jack de beste manier om wraak te nemen op De Hond. Zij had hem alleen maar gebeld om hem uit te foeteren over zijn gedrag van de vorige dag in het stadhuis. Klerewijf! Opnieuw voelde hij zich woedend worden en dat hielp hem over de schok van het tafereel in de B&W-kamer.
“Heeft u al aanwijzingen?” vroeg de burgemeester op een wat onderkoelde toon. Bottinga schudde zijn hoofd. ” Op dit moment nog niet maar ik heb niet het gevoel dat het lang gaat duren. Ik heb sterk het gevoel dat het om een moord in de relationele sfeer gaat. Alles wijst daarop.” Die laatste woorden fluisterde hij de burgemeester in het oor. Het was niet de bedoeling dat die eerste conclusie de openbare straat zou bereiken. Voor de oren van Jack was het wel genoeg. Zijn vlijmscherpe gehoor pikte ieder woord op. Met een verbaasde blik keek hij nog een keer naar het lijk en verliet de kamer. “Een kriem passionel”? Dat woored had hij weel een shoren opklin ken achter de bueraus als het om vermoorde minnaars ging. Iets in zijn hoofd blokkeerde.
Hij geloofde er niet in maar waarom wist hij nog niet. Onderweg tijdens de rit naar huis zong hij alweer uit volle borst “Kriem passionel, kriem passionel” en opnieuw probeerde hij het verkeer te overstemmen. Met gierende en jankende remmen stopte hij voor huis en meteen dwaalde zijn blik af naar het grote raam dat uitkijkt op zijn achtertuin. Nou ja, platje dan. Daar kijken twee wat verfomfaaide koppies met krullen hem aan. “Lol gehad?” mompelt Jack enigszins verontrust.
7

“Twee van die miete-hondjes, dat past wel bij je, Klotepote”, Ada zei het letter voor letter en heel langzaam om de boodschap duidelijk over te laten komen bij Jack. Ze smakte van het koekje en slobberde van de thee uit Jacks kopje want ze zat in Jacks woonkamer. Jack keek haar met grote ogen aan. Sinds zijn uitval waarin hijn zijn meerdere met “takkewijf” had aangesproken, had hij zich voorgenomen zich in te houden. De grote vraag was of hij dat nu nog steeds moest doen. Ada maakte zo’n opmerking toch alleen maar om hem uit de tent te lokken? En precies dat besloot hij niet te laten gebeuren.
“Wat kom je doen, wapenschild?” duidend op het onderscheidingsteken dat brigadiers op hun schouder meevoeren. “Wat kom je eigenlijk doen?” Ada smakt nog een keer hard en likt haar vingers af. “ik vraag me eigenlijk af wat jij steeds bij die Bottinga doet”, zegt zij. Haar stem snerpt door de kamer. Ze klinkt niet kwaad maar wel opdringerig. Jack grijnst, plotseling begint hij iets te begrijpen. Ada is jaloers op hem, ze denkt dat hij probeert haar voorbij te streven. “Och, inspecteur Bottinga heeft me gevraagd wat dingetjes voor hem uit te zoeken”, hij laat zijn stem zo onverschillig mogelijk klinken. “Hoe zo. Ada, maak je je zorgen? Doe ik mijn werk niet goed?
Ada schiet in de ach. “jij weet nauwelijks wat je werk is en hoe je je te gedragen hebt. De taal die je tegen mij hebt uitgeslagen, is werkelijk schandalig. Ik heb erover geklaagd met de teamchef.” “En, was mevrouw Wommmer onder de indruk?” vraagt Jack met een brede grijns. Hij heeft tenslotte al twee dagen niets meer over de zaak gehoord. “Ze zou je erover aanspreken, op het matje roepen”, brengt Ada met een bokkig gezicht uit.
Jack trekt een vrolijke grimas. De kwaadheid van Ada gefet hem een steeds prettiger gevoel. Er zit haar iets ongelooflijk dwars en hij denkt dat hij weet wat het is. Ada is jaloers. “Maar, weat doe je nou bij die Bottinga?” Jack tuit zijn lippen en vraagt tergend langzaam: welke Bottinga, die van de recherche?”Ada trappelt met haar voeten. “Ja, natuurlijk, Kloptepote, er is er toch maar één?” Weer breeekt er een grijns door op Jacks gezicht. Hij geniet ervan Ada zo ongeduldig en nieuwsgierig te zien en zoekt naar een mogelijkheid om haar nog wat langer te laten spartelen. “Ja, OK, dan bedoelen we dezelfde. Nou ja die ken ik eigenlijk niet.”
De brigadier draait haar volumineuze lichaam een paar keer onrustig heen en weer en klapt haat theekopje op tafel. “Maak me niet gek. Klotepote, je bent er al een keer of drie gezien.” Jack haal zijn schouders op. “Drie keer? Dat is knap. Ik heb er één keer een enveloppe afgegeven. Verder niks.” Ada kloopt rood aan. Ze heeft het gevoel dat Jack haar in kringetjes aan haar neus aan het rondleiden is.
“Weet je dat Jeroen Ouwehant jou echt de grootste eikel in het team vindt?” Kennelijk heeft Ada besloten het over een andere boeg te gooien Jeroen Ouwehant is hoofdagent en hij treedt ook een beetje op als Jacks mentor. Echte vrienden zijn ze nooit geworden maar jeroen is meestal vrij lovend over hem. Zijn fouten vergeeft hij hem graag. “Beginnersfoutje”, zegt hij dan. Jack trekt zich veel van Jeroens mening aan maar gaat uiteindelijk toch meetal zijn eigen weg. Hoe goed kennen ze elkaar eigenlijk? Niet zo goed, denkt Jack. Aan de andere kant gelooft hij geen woord van wat Ada zegt. “Zo, vindt hij dat?” hij probeert zijn stem rustig en zelfverzekerd te laten klinken. “Ja, snerpt Ada meteen, “hij zegt dat je het vak nooit zult leren.”
“Weet je wel wat voor smerig serpent je eigenlijk bent, Ada de Hond”, hoort Jack ineens zijn stem zeggen. “Ik ken jouw soort mensen want mijn hele familie bestaat eruit. Geen greintje gevoel voor een ander, altijd trappen om jezelf beter te voelen. Dat gaat je bij mij niet lukken hoor. Je bent echt één van de slechste voorbeelden van je soort!”
“Soort, soort”, krijst Ada nu terwijl ze met moeite uit haar stoel overeind springt. “”Wat bedoel je met soort? Ik eis een verklaring!”Jack trekt zijn mond breed open en buldert het uit. “Jouw soort, is de vrouw, die wezens die onder een glazen plafond thuishoren, een terrarium is nog te goed voor jullie”, brult hij nu en hij voelt nu hoe de tranen bijna in zijn ogen springen. “Altijd weer die wijven die proberen mij in een hoek te trappen maar ik doe er niet meer aan mee, hoer in het blauw!” Bij die laatste woorden voelt hij hoe hij bijna zijn tong in slikt. Was dat niet te erg, teveel? Een belediging van een meerdere?
“Jij rattenjong”, krijst Ada nu nog. Ze lijkt zijn laatste woorden niet eens gehoord te hebben. “Ik zal zorgen dat je nooit een stap verder komt. Ik ga Bottinga wel een seven fijntjes vertellen welke zaken je allemaal verknold hebt en wat voor onhandig varken je bent. Houd je thee maar…”Deze keer gooit ze het theekopje keihard door de kamer en rakelings langs Jacks hoofd. Tot zijn eigen verbazing schrikt Jack daar niet van. “Je moet bij de ME gaan”, roept hij. “Daar kunnen ze wel zo’n stevinge meid gebruiken!”
Met gebogen hoofd en vooruitgestoken vuisten stormt Ada nu op hem af. Ze voelt zich getergd, beledigd en vernederd en haar stappen kinken dreunend door de woonkamer. Op het juiste moment springt Jack opzij zodat Ada met haar hoofd tussen de kopjes en schoteltjes in Jack kast belandt. Jack kan niet nalaten te roepen “Olifant in de porceleinkast.” Meteen heeft hij al weer spijt van zijn woorden als hij ziet hoe bij Ada het bloed over haar gezicht stroomt. “Kom”, roept hij verzoenend. “Ik zal je helpen met schoonmaken en ik zal je pleisters geven. Daarna zal het wel tijd zijn om naar huis te gaan.”
Ada probeert Jack nog te weerhouden om haar te helpen maar plotseling voelt ze de pijn in haar gezicht. “”Ik zal je te grazen nemen”, gromt ze nog maar erg overtuigend klinkt het niet meer…
8

Ada was nog maar net de deur uit en Jack stond net hoofdschuddend te kijken naar de ravage die ze had achtergelaten toen zijn mobiele telefoon ging. Eigenlijk was hij blij want het stelde hem even vrij van de verplichting om het Ikeakastje en de vele scherven bij elkaar te vegen en weg te doen.
“Met Jack”, zijn stem klonk uiterst opgelucht omdat hij zichzelf net had vrijgesteld van een vervelend werkje. “Goeiemiddag, u spreekt met Puck”, klonk een aantrekkelijke jonge vrouwenstem aan de andere kant. “U kent mij niet maar ik denk dat we even moeten spreken met elkaar.” Jack haalde zijn schouders op en realiseerde zich niet dat Puck daarvan niets kon zien. Een jonge vrouw was bij hem altijd welkom, als het maar geen zeur was. ”OK, waarover?” “U bent toch de politieman die de moord op de stadhuisbode onderzoekt?’ Jack beet even op zijn onderlip. Natuurlijk was hij die politieman helemaal niet. Dat was inspecteur Bottinga. Maar…moest hij die vrouw nu doorverwzijzen? Wie gaf hem de zekerheid dat ze naar Bottinga zou bellen? Misschien kon ze hem wel heel veel interessante informatie geven. “Ja, sorry, u overvalt mij een beetje”, zei hij tactvol, “maar ik ben inderdaad die politieman. U heeft infomatie voor mij?” Even bleef het doodstil aan de andere kant. Toen klonk met een zucht de stem opnieuw. “Ja, ik denk te weten wie de moordenaar van Roel is.” Jacks hart maakte een sprongetje. Zou hij de sleutel naar de oplossing kunnen krijgen? “In dat geval kunt u mij thuis bezoeken”, zei hij snel. Als het kan vanmiddag nog.” Eigenlijk was het onzin natuurlijk . bedacht hij zichzelf. Welke getrainde politieman nodigde nu getuigen bij zich thuis uit? Zeker was dat hij de vrouw niet op het bureau zou kunnen ontvangen. Dan zou iedereen meteen zich afvragen of hij zijn liefjes altijd op zijn werkplek ontving. ”nee, doe maar in de Ritazzabar aan het Rijnplein”, zei hij er vlug achteraan. Waar herken ik je aan?”"Mijn rode jas en hoed”, merkte Puck op. “Het begint al echt op een date te lijken, gekkie!”
Ongewild voelde Jack het bloed naar zijn wangen stromen. Hoelang was het gekleden dat hij een afspraakje had gehad met een vrouw? lang, veel te lang! Zijn gedachten gingen weer uit naar de receptioniste in de oranje tomaat in het stadhuis. Hij moest daar toch eens werk van maken. De stem aan de telefoon was hem trouwens ook wel bevallen en hij voelde een lichte aandrang om te versieren in zich opkomen. Meteen schudde hij zijn hoofd. Hij moest werk en persoonlijke prettigheden nu niet door elkaar laten lopen. Dat was wel erg onprofessioneel. Tussen zijn gedachten door hoorde hij de andere stem nog net zeggen: “Goed, om vier uur dan.”
Er zat weinig anders op dan de Ikeakast met scherven nog maar even te laten voor wat het was. Als hij om vier uur in de Ritazzabar moest zijn, an was het zaak om op te schieten. Eigenlijk wilde hij zorgen wat te vroeg te zijn zodat niets hem kon ontgaan. Hij gaf Epie en hepie een aai over hun bol en deed de achterdeur stevig op slot. iets gaf hem het gevoel heel belangrijk te zijn en hij besefte dat het leven nooit meer hetzelfde zou zijn. Voor het eerst zou hij een getuige in een moordzaak ontmoeten.
Om onbegrijpelijke redenen was er nooit veel publiek in de Ritazzabar terwijl er in heel Alphen nergens lekkerder koffie te krijgen was. Jack bestelde dan ook meteen een kop capuccino en hij vrat zich bijna een weg door het schuim dat er bovenop lag. Hij voelde hoe het schuim zich meester maakte van zijn neuspunt maar veel kon hem dat niet schelen. Meer was hij betoverd door de sierlijke, slanke jongedame in rood met stralende blauwe ogen die de draaideur in kwam. Ze deed met een gemakkelijke glimlach een paar stappen in Jacks richting. “Hai, ik ben Puck”, zei ze met zachte stem. Even kreeg Jack het gevoel dat hij in een lauwwarm bad stapte waar op de rand een glas champagne wachtte.
“En vertel”, begon hij zakelijk nadat hij Puck van een kop espresso had voorzien. “Wat denk je, wie is de schuldige?” Puck roerde kort met een lepeltje in haar espresso en kneep haar ogen tot spleetjes terwijl ze Jack aankeek. “Kan ik je vertrouwen?” vroeg ze kort maar ze wachtte zijn antwoord niet af. “Op de middag van de moord kwam ik Bertus Primus tegen. Hij kwam net uit het stadhuis en zag er nog al zenuwachtig uit. Ik vroeg hem toen wat er aan de hand was. Ik zal proberen letterlijk te herhalen wat hij zei. ”Had een klote akkefietje in het stadhuis maar ‘t is nu goed geregeld.” “Er zat bloed op zijn snor, ik zag het meteen want ik dacht eerst nog dat hij eindelijk die dikke puist had kapot gekrabt maar die zat er nog.” Jack kijkt starend voor zich uit. “Wil je dit voor mijn inspecteur herhalen?” vroeg hij. Puck keek hem verbaasd aan. “Ik dacht dat dit het was”,zei ze aarzelend maar ze zag meteen hoe Jack zijn hoofd schudde. “OK, ik doe het.”
Thuis ruimde Jack de rotzooi al fluitend op. Hij vond dat hij eigenlijk een prachtige dag had gehad.
9
De poster ontrolde zich rammelend en wel en Eefie hield em triomfantelijk in de lucht. ”Wie wil zoiets liefs nu in handen geven van een doos vol stofdoeken”, gilde ze haast hysterisch door de zaal bij Avifauna. Tot Jacks grote schrik was op de poster zijn ante te zien die zijn broertje Pikkie innig omarmd vasthield terwijl ze beiden direct in de lens van de camera keken. “Onze minstbegaafden in handen van Mohammed”, brulde ze verder. “Dat mag niet gebeuren!”
In de zaal begon instemmend gemompel en gejoel los te komen. “Het gemeenetebestuur wil de hele zorg in “De Bruggen” overdoen aan stofdoekjes”, blèèrde Eefie verder.”Als het zover komt, ga ik mijn neefje exacueren.” Het was niet de eerste keer dat ze over een moeilijk woord struikelde. De goegemeente in het zaaltje lette er niet op. Ze wist maar al te goed wat Eefie bedoelde. Eén van de aanwezigen stond op en scghreeuwde zonder het woord te vragen door de zaal “weg met de minaretten en hun handlangers.” Een ander riep: “Pedofielen en imams op hetw eb, dan weten we wie het zijn!” De sfeer werd grimmiger en de temperatuur liep op. Een man in een zwart pak met een rode das uit de aangrenzende zaal kwam vragen of het rustiger kon maar hij werd uitgefloten en weggejoeld. Jack begon zich steeds minder op zijn plaats te voelen. Toch besloot hij nog even te blijven.
Op de voorste rij zat tot zijn grote verbazing Bertus Primus. Jack had het gevoel dat de grootste en rijkste caféhouder van de gemeente helemaal niets met politiek had. “Wat doet die man hier?” vroeg hij zich af. Toch werd zijn blik al gauw door iets heel anders getrokken. Vooraan op de hoek zat nota bene Ada de Hond! Jack knipperde een paar keer met zijn ogen. Hij kon zich niet voorstellen dat De Hond iets met politiek te maken wilde hebben. Zelfs haar verwachtte hij niet bij een kluppe vreemdelingehaters als “Alphen aan den Bak”. Hij bedacht het zich met een schok. Wat zou Ada eigenlijk van hem denken als ze hem hier zag? Plotseling werd het hem wat te benauwd in het zaaltje waar niemand zich iets aantrok van het rookverbod.
Met een ruk stond hij op en pas toen viel het hem op dat hij zich langs een hele rij mensen zou moeten wrtelen. Dan zou hij opvallen en misschien zou Ada hem juist dan zien. Hij bedacht zich en ging weer zitten. Misschien moest hij maar gewoon even het gekrijs en geschreeuw afwachten. “Wij willen in de gemeente geen stofdoekjes meer!”schreeuwde zijn tante inmiddels boven het helse kabaal uit. “Wij willen echte, Rijnkantse cultuur, Alphens bitter, dorpsscholen en kaaspakhuizen. We willen onze normen en waarden terug…eten met vork en mes, dubbel parkeren en kletsen bij de brug die opsenstaat. Geen terrorstisch gejodel vanaf de daken op vrijdagmiddag en geen vrouwen die vijftig meter achter hun man aan lopen. Geen geloer vanuit boerka’s naar ONZE mannen, weg met de LOERKA’s! Deze keer bereikte het gekrijs een hoogtepunt want het waren nu vooral de vrouwen die zich lieten horen. “En geen mannen met hoeden meer die de katjes in het donker knijpen en die niet van onze dochters af kunnen blijven. Geen overname van De Bruggen door stofdoekjes! Red onze kinderen, red onze kinderen, red onze kinderen .” Ze herhaalde het totdat de hele zaal begon te roepen, stampen en klappen. jack voerlde de grond onder zich trillen.
Van een dscussie kon je nu echt niet meer spreken. het was duidelijk dat het zaaltje maar één weg naar het absolute heil zag en dat was Eefie met Alphen aan den Bak. “Wij gaan voor 12 zetels”, krijste Eefie. Die woorden waren nog niet koud of ze begon te twijfelen aan die mogelijkheid want waar zou ze de raadsleden vandaan moeten halen? Haar gezicht verstrakte even maar het gejoel en gejuich in de zaal zorgden ervoor dat ze zich ook meteen weer kon herstellen. Hopelijk had niemand iets gezien.
Heel even gleden haar ogen langs Bertus Primus. Die zat nog steeds bijna onbewegelijk met zijn armen over elkaar op de voorste rij nors voor zich uit te staren. Deed hij altijd…nors voor zich uit staren. Even on tmoetten hun blikken elkaar en iets in Bertus’ ogen gaf Eefie de rust die ze zocht. “Sommige mensen beweren van ons dat we alleen maar ergens tegen zijn”, riep ze met de laatste adem die ze nog in haar longen leek te hebben. “Dat is niet waar! We zijn voor een goed ziekenhuis, voor meer goede horeca, gezellige café’s, voor kleinere speciaalzaken. parkeren onder de Oude Rijn en voor een centrum voor volkscultuur. Wij zijn positief ingesteld. De negativiteit komt van de stofdoekjes, de achterlijek culturen die onze trottoirs bevuilen.”
Jack kreeg het gevoel dat hij moest overgeven. Hij slikte een paar keer met veel moeite achter elkaar om zijn maaginhoud binnen te houden. Dit schreeuwende en ophitsende wezen was zijn tante. Eemn tante die misbruik maakte van zijn gehandicapte broertje. Er moest en er zou een eind aan komen.
Nauwelijks merkte hij hoe het zaaltje leegstroomde. Zelfs de schaduw die Ada over hem wierp bij het passeren, viel hem niet op. Het was maar goed dat zij ook hem niet zag. Pas toen de hele rij naast hem vertrokken was, stond hij op en waggelde hij de zaal uit. Buiten snoof hij de frisse winterlucht op maar die was niet genoeg om zijn gevoel van misselijkheid te verdrijven.
10
“Het gezicht van de jonge vrouw voor hem veroorzaakte haast een oerknal in het achterste van Jack hersens. Haar ravenzwarte kortgeknipte koppie met helder blauwe ogen en een lachende mond die kuiltjes in de wangen veroorzaakte, orgden ervoor dat hij geen woord uit kon brengen.
Daarvan had de jonge vrouw die bij hem op de stoep stond geen alst. “Hallo, ik ben Marijntje van ‘t Schip”, zei ze. “Ik ben groepsleidster op De Bruggen en ik wilde het eens hebben over uw broertje Pikkie.” jack knipperde met zijn ogen en voelde hoe hij meteen meer rechtop ging staan. “O, maar dan moet u bij mijn ouders zijn. Die hebben zeggenschap over hem, ik niet.” De jonge vrouw glimlachte op een manier die Jack opnieuw haast door de grond liet zakken. “Misschien…maar mag ik toch even binnenkomen”, vroeg ze aarzelend. Jack besloot dat het voor hem misschien toch wel nuttig zou kunnen zijn om de vrouw binnen te laten en dus knikte hij wat afwezig en deed hij een stapje opzij. “Komt u maar”, hij slaagde er zelfs in iets van een ontspannen glimlach op zijn gezicht te toveren. De jonge vrouw stapte met grote passen naarbinnen en terwijl ze dat deed kon Jack niet voorkomen dat hij haar verdovend heerlijke parfum opsnoof. Iets van zijn jachtinstinct kwam naar boven. Dit moest ze zijn!
Marijntje hing haar jas op aan de kapstok en arzelden in de kamer over de steol die ze zou kiezen. Die mooie, vlak bij haar was vas en zeker de vaste zitplaats van Jack. De beide andere waren van mindere kwaliteit en op de bank wilde zij niet gaan zitten. Dat stond te uitnodigend, vond ze. Jack zag er goed uit maar je wit nooit of hij toch een engerd was. Als vrouw moest je wel weerbaar zijn maar om haar bezoek nu op een knokpartij uit te laten draaien. Daar voelde ze niet veel voor. Uiteindelijk koos ze de op één na slechtste stoel die Jack had. Meteen schaamde ze zich een beetje want haar collega’s op De Bruggen zagen haar als echte feministe. Ze kreeg niet lang de tijd om daarover na te denken.
Jack kreeg door haar keuze het gevoel dat hij zelf de slechtste moest gaan gebruiken maar dat zou misschien wel weer erg opvallen en daarom koos hij de stoel die het dichtst bij hem stond. Dat was toevallig de beste. Dat kon ook weer niet want dan zou hij haar nooit de ebste stoel kunnen aanbieden tenzij…al met al bleef hij wat weifelend in het midden van de kamer staan.
“Er is mij wat gek overkomen, gisteren”, zei Marijntje. “Nou”, dacht Jack, “mij overkomt vandaag iets geks maar zeg jij het maar eerst.” “Een paar dage geleden kwam uw tante Eefie op de Bruggen. Dat doet ze wel vaker. Meestal brengt ze dan cadeautjes, knuffelt ze een beetje met hem , heel lief. Deze keer kwam ze met een fotografe en toen moest er een hele fotosessie gemaakt worden. Ik vond dat vreemd omdat uw tante ook bezig is met een politieke partij. ik hoop dat die foto’s niet daarvoor gebruikt worden . Dat mag toch niet met zo’n kind?”
Jack knikte. “Ik begrijp het en ik ben bang dat u gelijk heeft. De foto’s zijn voor de partij gebruikt. Ik was er ook niet blij mee maar wat doe je eraan?” “Ja”, reageert Marijntje. “U kent de wet, dacht ik. Misschien weet u het?” Jack schudt zijn hoofd. “Geen flauw idee. Ik kan het een navragen op het bureau.” hij kruipt op het puntje van zijn stoel. “Mag ik u nu eens iets heel anders vragen?
Marijntje kroop nu ook wat meer naar voren op haar stoel. Jack zag nauwelijks hoe de uitdrukking in haar ogen veranderde. “Ja, natuurlijk mag u mij wat vragen”, klonk haar stem ergens ver weg in de kamer. Het gebonk van zijn hart hoorde Jack veel duidelijker in zijn oren. Jarenlang was hem gezegd dat hij te afwachtend was, nooit genoeg actie had getoond, niet snel genoeg was geweest maar vanaf vandaag zou dat anders worden.
“Gaan wij niet liever even ergens in een gezellig restaurantje zitten om verder te kletsen?” Het was alsof middenin de kamer een gat door het dak van het huis was komen vallen. De woorden van Jack hadden veel herrie gemaakt en alles wat daarna kwam kon alleen nog maar op stilte lijken. En uit die stilte kwamen haast als ordeverstoorders een paar woorden tevoorschijn. “” Dat lijkt me leuk maar niet vanmiddag. Ik moet werken maar morgenmiddag kan ik wel.”
Hoelang Jack en Marijntje elkaar aankeken zal nooit iemand kunnen vertellen maar plotseling bewoog de jonge vrouw. “Ik moet weg, de kinderen wachten op me. Ze kunnen niet zonder me.” Ze graaide haastig haar tasje van de grond en stond onhandig op. Bijna stootte ze haar bovenbeen tegen de armleuning. Nog even keek ze Jack aan. Zouz e hem zoenen? Ze beskloot dat het geen goed idee was en met een snelle beweging gaf ze Jack een hand. “Tot morgen dan maar”, de woorden kwamen er haast giechelend uit. “Ja, tot morgen”, alle energie leek uit Jacks stem te zijn weggelopen.
11.
“Wat een klotewijf dan”, Bertus Primus bonkt met zijn vuist zó hard op het werkblad van de aanrecht dat Ada bang is dat het in twee stukken uiteen zal spatten. Ze kijkt zenuwachtig naar de machtige horecabaas want ze weet tot welk geweld hij in staat is. ”Ja, ik weet zeker dat zij probeert de moord op Roel jou in de schoenen te schuiven”, herhaalt ze even zo goed. “Wat een onzin”, brult Bertus. Hij realiseert zich dat hij op het moment van de moord ook in het stadhuis was. Hij had een gesprek met de wethouder van economische zaken. Maar of dat voldoende alibi zal zijn? Veel hangt af van het nauwkeurige tijdstip van de moord. “Maar waarom doet ze dat? Heb ik oorlog met haar? Heb ik haar niet heel veel geld geleend toen ze in de shit zat?’ Ze zou me op haar knieén moete komen bedanken.” Even is hij heel stil maar zijn gezicht veraadt donderwolken. “Ik zal haar breken”, zijn stem klinkt nu zacht, kwaadaardig en hees. Nu is het aan Ada om haar voorhoofd te fronsen. ”Je gaat toch geen onhandige dingen doen, hè?” Bertus grijnst. “Llaat dat maar aan mij over. Ik ga me niet in een moord storten om aan te tonen dat ik geen moord heb gepleegd”, lacht hij veelbetekend. Ada kijkt hem toch bezorgd aan. Soms spreekt die man echt in raadsels. “Gaan we nog even naar bed?” vraagt ze plotseling. Ze wil nu echt graag van onderwerp veranderen. ”Even wachten”, bromt Bertus.
“Wat heb ik nou voor reden om Roel koud te maken?” Hij kijkt Ada met een vragend gezicht aan. “Die jongen heeft altijd met mij de beste zaken gedaan en andersom. We waren toch goeie maatjes?”Ada haalt jaar schouders op. Ze heeft eigenlijk geen idee wat voor zaken Bertus en Roel deden en eigenlijk wil ze het ook liever niet weten. Bertus is weliswaar een “lekkere rookworst”(zo noemt ze hem altijd) maar van zijn zaakjes weet ze maar liever niet teveel af. Eigenlijk vindt ze zichzelf niet zo heel verstandig om als politievrouw met Bertus om te gaan maar ja…hij doet het zo lekker. Ada heeft in dat opzicht niet zoveel keuze. “Hij kon altijd goed verdienen bij me”, gaat Bertus verder. “Even zo goed heb ik hem nog geld geleend ook. Ik denk dat Roel gokte.” Ada weet even niet zo goed wat ze moet zeggen maar dan komt er toch een gedachte in haar op. “Heeft hij wel eens iets terugbetaald?” Bertus grijnst. “Dat werkte bij ons anders. Als hij moeite had met terugbetalen, deed hij gewoon iets gatis voor me.” Ada rilt. Haar intuïtie als politievrouw zegt haar dat er iets niet klopt in het verhaal van Bertus. Maar ja, het lijkt haar niet verstandig om daar zo maar in haar eentje op in te gaan.
“Ik zal die griet het leven heel zuur maken als ze hiermee doorgaat”, het klinkt als een belofte uit de mond van Bertus maar de dreigende ondertoon ondergaat Ada niet. Ze rilt. Misschien is de warmte van Bertus’ lijf wel het beste om aan die kou te ontsnappen. “Kom, we gaan naar bed”, zegt zij op besliste toon maar die toon noch de verleiding van haar opmerking kan Bertus niet ompraten. “Nee lieverd”, zegt hij, “vandaag niet. Ik heb andere dingen aan mijn hoofd.” Opnieuw bezorgen zijn woorden de brigadier koude rillingen. Alleen al de manier waarop Bertus het woord “lieverd” uitspreekt… “Nou, dan heb je mij zeker niet zo hard meer nodig?” zegt ze. “Ach, voor de koffie en de thee ken je nog wel handig zijn vandaag”, grinnikt Bertus. “Nee, lief, ik moet echt even aan de slag. Dat hele gedoetje met die jongedame zit me dwars. Ik denk dat zelfs de rookworst z’n pit verliest en sappig zal ie zeker niet zijn”, grapt hij. Ada hoeft er niet om te lachen. Ze had juist vandaag Bertus hard nodig gehad. Waarom was ze ook weer over dat mens begonnen, was dat niet ontzettend dom geweest? O ja, ze wist het al weeer. Ze wilde laten merken hoe loyaal ze aan Bertus was. . Ja mannen…
Koffie en thee! Dacht die dikke nou echt dat ze helemaal van de hoeren bezeken was? Koffie – en theejuffrouw spelen voor meneer de horecabaas! Hij was toch de horecamen? Hij zou voor haar een lekkere maaltijd klaar moeten maken, in bed en daarbuiten. Punt uit! Haar gezicht liep rood aan van kwaadheid en die kleur nam nog toe toen zij aan de overkant van de straat iemand ontdekte die ze al helemaal niet wilde zien. Terwijl ze de deur achter zich dichttrok, vertoonde zich daar het grijnzende gezicht van Jack. Hij was een grote wandeling aan het maken met Epie en Hepie. “Vergeet je de sleutel niet?” riep hij de brigadier toe. Zonder op haar antwoord te wachten, stapte hij verder. Ada merkte hoe haar bovenste snijtanden een diepe wond in haar onderlip hadden geslagen.
12
Jack had zichzelf een lekkere wandeling beloofd voor die avond. Met de luid keffende Epie en Hepie aan de lijn, nee Eefie hoefde ze niet terug, wandelde hij langs de Dijksloot, onder de rondweg door naar het Hengstenbos. Jack had nooit goed begrepen waarom die plek de naam “Hengstenbos” had gekregen maar kortgeleden had iemand hem in het café een geheim uit de doeken gedaan. “De naam “Hengstenbos” is bedacht omdat er in het verleden allemaal hengsten zijn begraven. ‘s Nachts tusen twaalf en één zou je zelfs de hengsten nog als witte schimmen door het bos kunen zien daveren. Het leek Jack allemaal wat onmogelijk want de grond in het Hengstenbos was vooral drassig en nat. Uitgerekend op die plek wilde de gemeente een bos inrichten om gezellig te wandelen. Nou ja, stel je voor dat er tijdens zo’n wandeling een skelet zou komen bovendrijven. Brrrr. Jack had dus besloten voor half twaalf weer uit het Hengstenbos weg te zijn. Niet dat hij bijgelovig was…maar toch.
Hij was in een goed humeur. Zijn afspraakje met Marijntje was heel leuk verlopen. Marijn was een beetje en serieus meisje maar ze moest wel om de absurde grapjes van Jack lachen zoals “Zingen in de badkamer is voor watjes, verder luistert er niemand.” Ze hadden nu een hele middag zitten en lopen teuten in een restaurant dat iets buiten Alphen lag en waar je goed kon rondwandelen. Ontzettend leuk en…Jack voelde opnieuw hoe de vlinders in zijn buik opstegen.
Hij liet de hondjes wat losser lopen en probeerde een swingende beweging te maken tijdens de wandeling. Hij voelde zich echt een hele playboy. De hondjes renden u voor he uit en het drong nauwelijks tot hem door dat een playboy eigenlijk niet met dit soort hondjes kon rondwandelen. In zijn vrolijke gedachten werd hij bovendien lelijk gestoord doordat de bestjes ineens heftig gingen keffen. Ze sprongen op en neer en renden rondjes terwijl ze maar bleven blaffen en…tussendoor hoorde Jack nu het grom van een veel grotere hond. het was een zwaar en traag geluid.
Nergens was een grote hond te ontdekken. Niou viel dat ook niet mee omdat het tussen de rechtopgaande boomstammen toch langzaam aan al een beetje donker begon te worden. Jack voelde de zenuwen in zijn tenen en vreesde dat een geweldige herder straks boven op zijn twee éénhapscrackers zou springen. Geen eerlijke strijd.
Plotseling ontdekte hij bijna verstopt aan de rand van het hengstenbos een wit Volkswagenbusje. Het zag er niet naar uit dat de eigenaar vlak in de buurt was en het leek erop dat het gegrom van de hond uit het busje afkomstig was. Langzaamaan kwam in zijn herinnering een gedachte naar boven waar hij niet vrolijker van werd. Op twitter had toch het verhaal gestaan van een man die zijn hond kwijt was? Zou dit…?
Jack kon zijn nieuwsgierigheid nu niet meer bedwingen. Hij haalde Epie en Hepie dichterbij en sloop voorzichtig naar het busje. Het werd hem steeds duidelijker dat het gegrom uit het busje kwam. Daartussendoor merkte hij nog iets anders op. Rond de auto hing een bedwelmende stank, een geur zoals Jack nog nooit eerder had geroken. Het deed denken aan een stilstaande poel water middeni de zomer na drie weken tropische hitte.
Met de hondjes liep hij drie keer rond het busje. Aan de voorkant probeerde hij naarbinnen te kijken maar er was een scheiding aangebracht tussen cabine en laadruimte. De smalle raampjes aan de achetrkant zaten teveel onder het stof. Er viel aan de binnenkant niets te zien. Hoewel”’hij drukte zijn neus nu tegen het glas plat en merkte niets van zijn omgeving.
“Is dat uw busje”, klonk een schorre stem achter hem. Hard en brutaal was de stem en Epie en Hepie begonnen meteen te keffen. Jacks chrok er zóerg van dat hij zich vast moest grijpen aan de knop van het achterportier. Met een klap sloeg het ding open. Een zware, stinkende walm kwam hem nu tegemoet en die walm werd vermengd met gegrom en geblaf. Een stevige, dikke Duitse herder lag argwanend te kijken naar de twee mannen buiten. Jack wist het nu zeker, het moest de hond zijn die op twitter “zoek” was gemeld.
Hoewel er geen rook of stoom uit het busje kwam, deed jack toch een arm voor zijn gezicht toen hij instapte. De hond deed niet eens moeite om op te staan. Dat was gek, zou het dier zolang… Plotseling viel zijn oog op een grote plastic zak die achter het dier lag. het plastic was er duidelijk neergelegd om iets te bedekken. Voorzichtig trok Jack het plastic weg. Er zoemden wat vliegende diertjes in het rond en toen zag Jack een teen, een half afgekloven teen en nog een teen waar het vel al was af gevallen en nog een teen, een voet waarin gaten waren gevallen en waar een beest doorheen kroop.
Met een ruk trok Jack het plastic nu verder weg. Het gezicht van de jongedame, of van haar overblijfselen, zag er nog het beste uit. Haar blonde haar hing nog steeds in een sierlijke lok over haar voorhoofd. Dat was wel gek, eigenlijk, vond Jack. Eén been ontbrak en één arm was leeggekloven. Jack kreeg het akelige gevoel dat de hond dat had gedaan. Het dier moest ook eten. De vloer van het busje lag bezaaid met hondendrollen, een verteerde jongedame…
13
Dit hoofdstuk slaan we op jack’s verzoek over
14
Inspecteur Bottinga die om onverklaarbare redenen de klemtoon altijd op de eerste lettergreep van “inspecteur” liet vallen, trok een azijnzuur gezicht. De zadelpijn van het fietsen van die ochtend was nog niet over. Nu kwam er een telefoontje van Jack Klotepote dat hij het lijk van een mevrouw had gevonden in een bestelbusje. “Een afgekloven mooie juffrouw”, had Jack gezegd in een mislukte poging om de stemming er een beetje in te houden.Misschien w was het grapje wel mislukt omdat Jack het zelf allemaal niet zo leuk meer vond. Vooral de aanblik van het afgescheurde onderbeen, was hem niet goed bekomen. het onderbeen was verdwenen en Jack vroeg zich af of het nu in de hond zat. Misschien had het wel de vorm aangenomen van één van de vele drollen in het busje. Hoe dan ook, Jack vond het niet leuk en bovendien zat hij nu met een derde hond. Het beest was niet vervelend maar wel een beetje schuw. Jack voelde zich ongelukkig en in dat opzicht voelde hij hetzelfde als inspecteur Bottinga. “Kom nergens aan maar kijk wel heel precies wat er in de bus ligt”, was de opdracht van Bottinga geweest. “En wacht tot we er zijn.”
Gemakkelijk was het allemaal niet want het is geen wissewas om met drie hnden aan de lijn en een toenemend aantal belangstellenden om je heen, een bestelbusje te onderzoeken. Jack besloot dan ook op de rand van het busje te gaan zitten, zijn benen naar buiten te laten bungelen dne de honden opdracht te geven het publiek op afstand te hoduen. Dat ging de viervoeters best af. Vooral Epie en Hepie begrepen de opdracht heel goed. Misschien waren ze bang dat ze anders niets zouden mogen hebben van de berg vlees die in het busje lag. Ze gingen tegen alle rampbezoekers tekeer. Ook tegen de fotograaf van Alphen DDD. Jack vroeg zich hoe de pers n u al weer kon weten dat hier iets te doen was. Nou ja, eigenlijkw as het zijn zaak ook niet.
Voor zijn gevoel duurde het een eeuwig heid voordat de eerste tweetonige hoorn in de omgeving hoorbaar werd. In de tussentijd had hij een briefje van de vloer van het busje losgepullekt en er even naar gekeken. Het leek een etiketje voor een pakje kipfilet of zoiets. Zonder erbij na te denken frommelde hij het papiertje in zijn jaszak. Net op dat moment kwam de politiewagen met gierende banden, fluitende sirene en afschrikwekkend zwaailicht om de bocht scheuren.
Bottinga en een vrowuelijke rechercheur die Jack nog nooit eerder had gezien maar die wel meteen opviel, sprogen uit de wagen. “Waar is dat mens?” liet Bottinga zich ontvallen. Hij werd nog steeds gehinderd door een zeurende zadelpijn, een gevoel dat hij liever niet voelde met zijn collega Antoinette in de buurt. Met een slinkse blik keek hij nog eens naar haar lange, golvende, blonde haar. Plotseling schudde hij eens fklink zijn hoofd. Hij mocht zich nu niet laten afleiden. Alles was immers gebaseerd op zijn positie als superspeurder. Met een soepele beweging sprong hij in het busje. Nog voordat hij het dode lichaam en de bijbehorende geur had opgemerkt, liet hij al een scheldwoord knallen. “Het is toch potvoordedommen te gek. In dit rustige veendorp gebeurt nooit wat en nu in één week tijd twee moorden. Waar moet dat heen.”Alsof hij een antwoord op die vraag verwachtte, keek hij naar buiten. het publiek bleef alleen maarw at momepelen en keek verschrikt naar de atletische politieman. “En, Jack, wat heb je al ontdekt?
Jack keek de inspecteur wat onschuldig aan. Ontdekt? “Nou, eigenlijk niet zo gek veel”, gaf hij toe. “Ik had ook geen spulletjes bij me voor het onderzoek. Volgens mij hoorden die hond en die mevrouw bij elkaar. Ik denk dat de hond op twitter als vermist is opgegeven. De mevrouw niet…” Bottinga lied een brede grijns zien. “Dat is op zich al gek genoeg. We hebben ook helemaal geen meldingen van vermissing binnengekregen.” Hij kroop op handen en voeten verder door de bus terwijl Antoinette rondom het busje liep Eindelijk verschijnt ze weer bij de achterkant van de wagen. “Er is met deze bus hard gereden , door woest terrein”, zegt zij langzaam. “Ik denk dat de moord niet hier is gebeurd. Het busje is hier alleen maar achtergelaten.”
Bottinga knikt. “Het is tijd voor de forensische dienst. Ze zijn onderweg. Het lichaam kan wat mij betreft ingepakt worden.”Even aarzelt hij. “Die hond. die hond reageert misschien op dingen die in de bus liggen.”Hij kijkt Aintoinette strak aan. “Kijk eens in de cabine of daar kleren of gebruiksvoorwerpen liggen. Misschien herkent hij iets.”
Zonder een vraag te stellen nam Antoinette de grote hond over van Jack. Het dier sukkelde een beetje door het drassige land rond het busje. Zodra de rechercheur de deur van de cabine opende, begon het dier te piepen en te grommen. ”Jack, kom eens helpen”, klonk Antoinettes stem. Met een klein sprongetje liet Jack zich van de bodem van de bestelbus afglijden. Bij het linkervoorportier deed zijn vrouwelijke collega met één elleboog verwoede pogingen de hond buiten de cabine te houden en met haar andere arm iets te pakken. De hond begon haar steeds wilder te bespringen waarbij hij een vervaarlijk gegrom uitstootte. Jack kon niet voorkomen dat de hond in zijn gedachten even veranderde in Bottinga. Een paar kreten van Antoinette wekten hem op uit zijn overpeinzingen. Met twee handen pakte hij de ketting vast die om de nek van het dier was gelegd. Er was een stevige ruk voor nodig om het dier weer op vier poten te krijeg. Daarbij probeerde het steeds zijn kop om te draaien en Jack aan te vallen. Een succes was dat niet …of het moest zijn dat Jack zag hoe Epie en Hepie uit het busje wipten en om de hoek verdwenen. het laatste wat hij van ze zag waren de rode hondenlijnen…
15
|
Het sneeuwde, eigenlijk sneeuwde het al een paar weken maar Jack kon het niets schelen. Integendeel, hij vond het wel romantisch. Romantisch ook omdat hij nu met Marijntje door de dikke pakken sneeuw liep, niet zover van een restaurant aan een groot meer waar hij graag kwam. Deze plek was ideaal voor de liefde. Stiekem keek Jack even naar het kontje van Marijn en in stilte stelde hij zich voor hoe die billetjes het in de nseeuw zouden doen. Nee…bedacht hij zich…laten we maar een ander plekje zoeken.
Marijntje had inmiddels niets van zijn stille gedachten en steelse blikken gemerkt. Ze ratelde het éne verhaal na het andere achter elkaar eruit in de veronderstelling dat Jack aandachtig luisterde. Vooral als hij zijn arm nog wat steviger om haar schoders sloeg en zijn wang op haar schouder liet rusten, meende ze zijn aandacht te hebben. En dat was ook zo. Jack deed zijn uiterste best om in de loop van de wandeling een uittreksel te maken in zijn hoofd van Marijntjes verhalen. Hij was elk moment bang dat ze zou vragen “Vind jij ook niet?” Dan wilde hij wel op een zinnige manier antwoord kunnen geven. Het leek hem in elk geval een goed idee haar zo nu en dan met een glimlach aan te kijken.
Hij meende het ook echt maar kon het allemaal niet zo goed geloven. Vroeger op school was hij nou niet echt de meest populaire jongen geweest onder de meiden. Hij was ook altijd wat teruggetrokken en verlegen geweest en dat vinden ze misschien niet zo leuk. En nu gaf dit heerlijke meisje zo maar haast heel onnozel alles aan hem. Ze vertelde alles, kriebelde met haar vingers aan zijn middel, gaf hem zo nu en dan een aai door zijn gezicht en zoende hem van tijd tot tijd en Jack bbreep er helemaal niets van. Hij wist alleen dat een geweldige zwerm vlinders in zijn buik op ene ongelofelijke manier huishield.
Dit was zo’n dag dat de gruwelijke beelden van de laatste dagen bij hem helemaal wegzakten. De stress viel weg maar spanning was er volop. Hij keek ineens heel anders naar de vogems en de zwanen en voor het eerst van zijn leven zag hij de dieren langs de warkant nog voordat zij hun toevlucht bamen tot het ruime sop.
Weet je wat?” zei hij ineens. “We gaan naarbinnen en vragen of ze de open haard aandoen. Dan nemen we een flesje bubbels ofzo erbij. Eigenlijk wilde hij veel liever naar zijn huisje in de Sparstraat om samen het piepkleine slaapkamertje op te zoeken maar hij had het idee dat Marijntje dit veel leuker vond. Marijntje glimlachte. “Van uitstel komt geen afstel”, dacht ze en daarmee toonde ze zich een echte vrouw. “”Wat leuk!” riep ze uit, heel dicht bij zijn oor maar het klonk als een welkome boodschap. De ondertoon was er één van “als we dan daarna maar naar je huis gaan.”
Ze friemlde haar vingers nu onder zijn overhemd en krast met haar nagels over zijn huid. Het bracht hem ertoe wat langzamer te lopen in de richting van het erstaurant zodat ze er wat langer mee kon doorgaan. ondertussen trok hij haar met haar middel wat steviger tegen zich aan. Marijntje draaide zich half naar hem toe. Jack begon te merken hoe zijn lichaam reageerde op de diercte aanwezigheid van een vrouwelijk lichaam en hij hoopte dat het niet al te erg zichtbaar zou zijn. Hij probeerde de reactie wat te onderdruken door zijn gedachten te verleggen naar Ada de Hond en…inderdaad, het resultaat was verbluffend. Het was nu wel moeilijk om nog geconcentreerd te luisteren naar de verhalen van Marijntje. Dat werd nog moeilijker toen ze met haar nagel in zijn oor belandde. “Kom, we gaan een skijken, hoe warm het binnen is”, zei hij met de laatste adem die in hem was
Wat was ze mooi! WEn nu het flakkerende licht van de open haard op haar egzicht, hals en schouders scheen, vierl haar schoonheid nog meer op. En die schoonheid wilde het liefst bij hem in de buurt zijn. Jack kon nog steeds zijn ogen en gedacchten niet geloven. “Vind je ook niet?” klonk ineens Marijntjes stem. Toch nog betrapt! Even probeerde hij zich te herinneren wat haar laatste woorden waren geweest maar het lukte hem niet er een samenhangende zin van te maken. “Ik kan het niet geloven”, zei hij. “Ik wil het nog eens van je horen.” Marijntje giechelde. “Nou zeg, zo bijzonder was het nou ook weer niet. Ik vroeg of we volgend weekend naar de kunstskibaan in Hoofddorp zouden gaan.” Jack grijnsde. “Voor mij is alles bijzonder als jij het zegt. Ik vind dat we het moeten doen, ja. Dan kun je meteen je nieuwe ski-uitrusting uitproberen.”"Ja”, kirde Marijntje weer. “Wat kun jij goed herhalen wat ik zeg, man.” “Ik wou dat het waar was”, hoorde Jack zichzelf in gedachten zuchten.
|
|
16

Heerlijk, zo’n maand aan de meditterane kusten en dat allemaal op kosten van het bedrijf. Jack had ervan genoten en Martijntje niet minder. Om echt “weg te zijn voor het hele Alphense gedoetje” hadden ze niet de spaanse costa’s bezocht maar Marokko. Een paar keer was Jack bijna in de verleiding gekomen om zijn tante gelijk te geven. Een paar Marokkaanse mannen hadden Marijntje nageroepen en veel fraais was dat niet. Maar ja, hij was nu in “Marokkanenland” zoals tante Eefie dat altijd noemde. Nu moesten zij zich aanpassen…en dus…niet geklaagd.
Ze hadden ervan genoten en de terugkeer op Schiphol was een afknapper. Regen en koude wind, welkom in Holland. “Geen wonder dat je je als Marokkaan hier niet echt welkom voelt”, dacht Jack nog toen hij de poort van Schiphol Plaza uitliep. Hij sloeg zijn arm eens extra stevig om Marijntjes schouders en trok haar stevig tegen zich aan. Zo hadden ze het tenminste allebei een beetje warms. Snel naar de interliner en dan thuis ouderwets koffie en erwtesoep. Jack voelde hoe zijn maag begon te knorren. Ondertussen vroeg hij zich ook al weer af of er nu al iets meer duidelijkheid zou ijn over de twee moorden in één maand tijd. Zoals gebruikelijk deden de Alphense kranten er al weer heel dramatisch over alsof de gemeente een soort oase zonder criminaliteit behoorde te zijn. Jack vroeg zich altijd af waarom elke gebeurtenis tot een haast uniek niveau moest worden opgekrikt. Maar ja, hij was dan ook geen journalist.
Het bureau voelde vreemd aan en de eerste dag liep Jack er rond alsof hij volslagen de weg kwijt was. Het lukte hem niet eens op een fatsoenlijke manier te vragen of er al resultaten waren geboekt. Het was maar goed dat hij Ada de Hond niet tegenkwam. Het viel hem niet eens dat zijn “weerzin op poten” niet in de buurt was. Hij dacht niet eens aan haar.
Heel anders was dat bij Ada. Zij had voor die dag juist een bezoekje gepland bij inspecteur Bottinga. Nu Jack terugkwam, leek het haar het juiste moment om eens de zwakke kanten van haar collega bij hem naar voren te brengen. Die twee werden in haar ogen veel teveel vrienden.
“Ada”, zuchtte Bottinga terwijl hij niet van zijn papieren opkeek. “Zeg het eens schat.?” Ada voelde meteen de ergernis in zich al weer opkomen bij het woordje “schat”. Zij vond het verschrikkelijk als mannen dat zo maar gebruikten maar ze beheerste zich. Ze moest hem nu niet tegen zich in het harnas jagen. “Heb je al resultaten voor wat betreft die moorden?”vroeg ze stroef. Bottinga keek nu wel op en trok een verbaasd gezicht. “‘t Is niet echt jouw zaak maar nee…we schieten niet erg op.” Even bleef het stil terwijl Ada wat ongemakkelijkmet haar voeten heen en weer schoof. “Zou het niet komen doordat je de verkeerde mensen erop zet?”
Bottinga keek deze keer niet verrast op maar hij stond wel op van zijn stoel. Met een gestrekte arm en vinger wees hij naar de deur. “En nu maak je dat je eruitdondert of ik pak je bij kop en kont, of ik daar nou een hernia van krijg of niet!” bulderde hij. Zijn gezicht was rood aangelopen en zijn ogen rolden woest in de kassen rond. Ada wrong haar omvangrijke lijf zo haastig mogelijk omhoog en slofte in de hoogste versnelling van de duer. Ze had wel eens gehoor dat Bottinga agressief kon worden. “Ik heb iets niet goed aangepakt”, zuchtte ze wanhopig. Dat klonk zo luid door de gang dat Jack, die om het hoekje stond, het opving. “Mooi zo”, zei hij tegen zichzelf en hij lachte er stilletjes bij. “Geen schoner vermaak dan leedvermaak”, dacht hij. En nu hij toch hier in de buurt was. Als Bottinga een beetje in een goede bui was…
17
“Maar niet alleen”, die woorden van Bottinga klonken Jack nog in de oren. Hij mocht niet alléén naar binnen in het huis waar de eigenaar van het bestelbusje woonde of had gewoond. Bottinga vond het voor de onervaren rechercheur te riskant om in z’n eentje op onderzoek te gaan en…hij stond het nooit toe. Het was niet de gewoonte van rechercheurs om alleen op pad te gaan.
Jack had geen idee hoelang het zou duren voordat de versterking kwam maar hij had de woning nu in de gaten. Binnen leek zich niemand te bevinden. Er waren geen silhouetten, geen schaduwen en zelfs geen sporen van bewoning te zien. Er stonden wel wat Ikea-meubels in de voorkamer maar ze zagen er uit alsof niemand ze in de afgelopen maanden had gebruikt. Jack besloot dat het beter was om niet direct voor het voorraam te gaan staan om naar binnen te gluren. dat zou misschien teveel opvallen en dan zou hij de bewoners misschien wel wegjagen. Dat was al helemaal niet de bedoeling. Er kwam al een jongen op de fiets voorbij die hem argwanend aankeek en volgens hem stond de buurvrouw ook vanachter een grote cactus te begluren. Hij was al opgevallen in de buurt. Met een onverschrillig gezicht en wat achteloze stappen liep hij naar de overkant van de straat. Daar hield hij zijn linkeroog gericht op de woning en met zijn rechter oog tuurde hij de doodstille straat af. Het was wachten geblazen. Daarover had hij wel eens iets gelezen, mensen wachten éénderde van hun leven ofzo.
Stampvoeten was het beste wat hij doen kon want de vroege ochtend was bepaald niet warm, zelfs niet op deze zomerdag. Hij blies eens in zijn handen en keek opnieuw de straat af. Om de hoek verscheen een politieauto en het ding was ook meteen te horen. Op het dak tolde het blauwe zwaailicht als een gek in het rond en de sirene stond luidkeels aan. “bedankt”, dacht Jack bij zichzelf. “Alle boeven zijn nu wel er vandoor, hoor! Je kunt die herrie wel uitzetten.”Hoofdschuddend keek hij de twee agenten in de wagen aan. Met veel gepiep en geknars zetten ze hun patrouillewagen vlak voor de verdachte woning stil. Even later kwamen ze al portierenslaand naar buiten. “Zijn jullie wel helemaal goed bij je hoofd?” schamperde Jack. “Moeten jullie echt in het middelunt van de belangstelling staan?” De agent en angente keken elkaar verbaasd aan. “We moesten hier zijn”, zei de jongen met de blozende wangen. Jack haalde zijn schouders op. Met deze twee was niets te beginnen, begreep hij.
“Luister, ik ga straks door de voordeur naarbinnen, jullie nemen de achterdeur. Probeer vooral bij het binnengaan zo min mogelijk herrie te maken en houd de wapens in aanslag. Het gaat misschien om een gevaarlijke gek. Houd wel rekening met je collega’s. Vooruit mensen, er op af.” De beide politieagenten verdwenen om de hoek en Jack wachtte tot hij het signaal op zijn mobieltje hoorde. De twee waren nu bij het hek aan de achterzijde van het huis en hadden de poort geforceerd. Hij kon nu een begin maken met de voordeur.
Hij had er aanleg voor. Nog voordat de brievenbus kon klepperen, had hij de deur open en stond hij in de hal. Het stonk er verschrikkelijk, alsof iemand een stapel ongewassen sokken in de hoek had gegooid of…veel te lang gedragen onderbroeken. Jack kon zich niet voorstellen dat iemand in deze atmosfeer dag in dag uit kon wonen. Maar ja, op de bomen kwekerij had het vroeger ook we eens verschrikkelijk gestonken, vooral in de grote hal
Er konk een snerpende gil door het huis. Onmiddellijk was Jack waakzaam Zijn ogen en oren speurden de trap af maar daar bewoog niets. Zijn pistool hield hij nu in twee handen geklemd en langzaamaan liep hij in de richting van de gil. Het leek hem nu dat het geluid uit de keuken was gekomen, aan de achterkant van de woning. Vanuit de hal was er geen doorgang naar de keuken. Eerst zou hij een stuk door de woonkamer moeten lopen maar dan had hij geen zicht meer op de trap. Er bleef een stevig snikkend en angstig geluid uit de keuken komen. het was tijd om in te grijpen. Met één schouder duwde jack de deur van de woonkamer open en in een flits keek hij naar de trap. Er bewoog nog steeds niet. Nu schopte hij de deur verder open.
De kamer was leeg en in de hal en de gang klonken geen geluiden. Alleen uit de keuken kwam nog steeds een langgerekt, huilend geluid. Met een paar snelle stappen ging Jack nu in die richting totdat hij verstijfde. Daar leunde een bleek weggetrokken agent met zijn hoofd tegen de deurpost etrwijl de agente op haar knieén op de grond lag te huilen. Recht voor haar, op de aanrecht stond een Spaanse hamklem, een zogenaamd jamonero en in de klem was een bebloed vrouwenbeen vastgezet. Uit de kuit waren stukken huid en vlees weggesneden. De raffeliggen stukken vlees en bot van het afgescheurde been staken aan één kant nog uit terwijl onderin de voet een soort schroef was bevestigd. Jack voelde dat hij moest kokhalzen maar hij wist zijn schrik binnen te houden. Diep haalde hij adem en hijgend wankelde hij terwijl hij in de kamer een stoel zocht. Zo gruwelijk had hij het zelf niet kunnen bedenken. Het was hem nu duidelijk dat hier een gestoorde gek aan het werk was geweest. Dit was het been dat in het bestelbusje had ontbroken, klaar voor de maaltijd.
18

De dag was alweer verpest. Tante Eefie was zonet even langs geweest en had verteld wat een heerlijk nachtje ze had doorgebracht met Martijn van de Kasteele en hoe godsdankbaar ze was er nu weer weg te zijn. Ze kon daarover rustig een uur vol praten en Jack kende dan alle details van Martijns seksuele afwijkingen (hij had er méér dan één). Elke keer als hij tussendoor wilde vragen waarom ze met die vent omging, kwam er een nieuwe anecdote over eikeltjes en ballen. Nee, ‘t was echt geen pretje. Vooral niet omdat Eefie vervolgens een uurlang doortetterde over haar “kampanje” waarin ze geestelijk gehandicapten tegenover die “verschrikkelijke hoofddoekdragers” stelde. Jack vrat liever een pondszak gomballen leeg dan te luisteren naar zijn tante. Natuurlijk had Eefie de hondjes gewoon weer bij Jack achtergelaten. Er werd niet eens meer over gesproken en ach…eigenlijk vond Jack dat wel best. Dat was dan ook het enige.
Alsof dat nog niet genoeg geweest was, was hij bij het binnenkomen in het ureau meteen Ada tegen het lijf gelopen. Er ging bij hem onmiddellijk een lichtje op toen hij haar zag en dacht een lolletje te hebben. “Bot egvangen bij Bottinga”, grijnsd hij. Sissend kwam ze deze keer op hem af. “Ik zou maar uitkijken met dat onderzoek, watje”, haar stem klonk als een zandstraal. “Misschien kom je nog veel meer ellende tegen en daar word jij toch altijd meteen helemaal ziek van?”Terwijl ze even pauzeerde keek ze hem onderzoekend aan. “En bovendien is lang niet iedereen blij met wat je aan het doen bent hoor. Je kunt zo maar op straat in elkaar geslagen worden, zo ‘s avonds. of dat leuke grietje van je.” Jack vond het een rare opmerking. Criminele contacten?” siste hij terug. “Ada, het gangstermeisje?” Hij proestte het uit en liep verder over de gang. Toch voelde hij zich er niet prettig bij. Wat bedoelde Ada met die opmerking? Was het een serieus dreigement? En waarom eigenlijk? Misschien moest hij de wegen van Ada eens beter nagaan. Hij bedacht zich dat in het korps iedereen haar kende maar niemand precies wist waar ze zich mee bezighield.
Die middag werd hij gebeld door een onbekende die hem ook al aanried zich terug te trekken uit het onderzoek naar de moord op de vrouw in het bestelbusje. De vrouw die waarschijnlijk een onderbeen in een jamonero was kwijtgeraakt, zoals Bottinga het een keer had uitgedrukt. De inspecteur leed volgens Jack trouwens ook aan toenemende frustraties omdat géén van de moorden opschoot. De moord op de bode in het stadhuis zat volledig vast. De ambtenaren hielden hun mond omdat ze echt niets hadden gezien en gehoord en dat was natuurlijk al verdacht genoeg. Nee, op moordgebied zat het de recherche niet mee. En natuurlijk…als Jack op bezoek was bij zijn familie, dan werden er grapjes gemaakt. “Jack the Flipper” had zijn vader hem gedoopt, om aan te geven dat hij de oorzaak van de traagheid was bij het onderzoek. Dan deed hij de geluiden van de beroemde dolfijn erbijna en wapperde hij met zijn handen alsof het vinnen waren. Het toppunt van de lol was het als hij in het zelfde tempo zijn tong in en uit deed. De hele familie lag dan te schuddebuiken, zaols laatst op de verjaardag van Pikkie. Nee, familie, niemand hoefde Jack nog te vertellen hoe goed het was om een echte “family man” te worden. Wat een geneuzel allemaal!
Net toen hij dacht dat de telefoon uitkomst zou brengen, ontekte hij dat de dag niets goeds meer zou bieden. Aan de andere kant klonk een rauwe stem in hoog-allefes accent. “Ik sout maar eitkaike”, was het commentaar. “Je ben niet zo slim en als waj je behaandelt hebbe, ben je niet moui meer ouk.” Dat klonk echt als een bedreiging, erger dan die losse opmerking van Ada. Dit was iemand die probeerde hem van zijn onderzoek af te brengen. Hij begon te aarzelen of hij aangifte moest doen van dit soort telefoontjes. Vooral nadat hij dezelfde middag voor de derde keer dezelfde stem met dezelfde boodschap had aangehoord…aan de andere knt, was het niet heel gewoon dat rechercheurs met dit soort telefoontjes te maken kregen? Moest hij er met Bottinga over praten? Die zou hem misschien uitleggen dat hijzelf honderd van die verhalen kregen te verwerken. Natuurlijk, op de politieschool hadden ze altijd aangedrongen op aangifte maar…je moest toch ook wel met iets echts komen?
Die avond fietste hij naar huis maar de gedachte aan de bedreigingen liet hem maar niet los. Hij kon vandaag zo maar van zijn fiets getrokken worden en erger…als Marijntje iets overkwam? Hij zou het zichelf nooit vergeven. In gedachten zette hij zijn fiets tegen de achtermuur van zijn huisje neer maar kort daarop schoot hem iets raars in het oog. In zijn huisje bewoog zich een schaduw die niet de vorm had van een hondje. Er was een vreemde in zijn huis. Op zijn tenen liep hij de achtertuin weer uit. Hij besloot naar de voorkant te sluipen en een eventuele indringer te verrassen.






Vind het nu al pakkend. Moet ik echt een hele week wachten?
Wat een leuk verhaal
blijft boeien.
bubbeltjes genoeg hihi………inderdaad beetje ranzig maar wel zeer leuk.
Beetje ranzig maar wel lekker
Ben weer helemaal bij.